WUR: het gaat niet slecht met de honingbijen

Honey Bees 326337 1280

Te midden van de vele alarmerende berichten over de wereldwijde achteruitgang van bijenpopulaties, is er positief nieuws over de honingbij in Nederland. De wintersterfte onder deze bijensoort is terug op een ‘aanvaardbaar niveau’. Dat blijkt uit het vierjarig Surveillanceprogramma Honingbijen.

‘Het gaat niet slecht met de honingbij in Nederland. Dat hadden we verwacht’, zegt onderzoeker Bram Cornelissen van Wageningen University & Research (WUR). Hij is namens bijen@wur betrokken bij het Surveillanceprogramma Honingbijen. Zijn uitspraak is vooral geënt op de wintersterftecijfers uit het programma. Die tonen een opmerkelijke comeback.

Het sterftecijfer lag in 1982/1983 gemiddeld rond de 3 procent. Maar met de komst van de beruchte varroamijt ging dat cijfer snel omhoog, met als uitschieter bijna 30 procent in 2009/2010. Daarna daalde het percentage, om in de jaren 2016/2017 en 2017/2018 uit te komen rond de 15 procent. De laatste winter is het cijfer weer onder de 10 procent gedoken (9 procent), wat in de bijenwereld als ‘acceptabel’ wordt bestempeld.

Geen harde verklaring
Een harde verklaring voor de daling van de sterfte kunnen de onderzoekers, die monsters namen bij tweeduizend bijenhouders, niet geven. Ook de sterfte sec – grofweg tussen september en april – kent geen specifieke reden, stellen zij. Het fenomeen is een gevolg van een combinatie van factoren. Parasieten zoals varroa, chemische bestrijdingsmiddelen, het versnipperde landschap (onderzoek Naturalis), maar ook de bestrijdingskwaliteiten van ziekten en plagen door de imkers spelen een rol.

Het onderzoek maakt een kanttekening bij de rol van chemische bestrijdingsmiddelen. Uit het surveillanceprogramma bleek dat bij 30 procent van de monsters residuen van chemische middelen als insecticiden en acaricides werden aangetroffen. Toch is deze aanwezigheid ‘niet gecorreleerd met wintersterfte’, schrijven de onderzoekers.

Centraal in de studie staat de ‘gehouden honingbij’, overall in Nederland door negenduizend bijenhouders gehouden. Samen goed voor zo’n 80.000 bijenvolken. Dat is tijdens de piek in mei, als ze zich splitsen. In de winter loopt dat aantal terug naar 60.000 bijenvolken.

Varroa grootste bedreiging
Cornelissen keek in het onderzoek, waarbij hij pas in de staart aanschoof, naar ziekten en onderhield het contact tussen onderzoek en deelnemende bijenhouders om monsters te nemen. Ook hij zag dat de varroamijt nog steeds de grootste bedreiging voor de bij is, de meest belangrijke groep bestuivers voor wilde planten en gewassen. Zo zijn de belangrijkste gewassen voor humane consumptie voor 70 procent afhankelijk van bestuiving.

‘De bestrijding van varroa blijft derhalve belangrijk. De sector is inmiddels overgestapt op duurzame alternatieven voor chemische bestrijding, zoals etherische oliën en zuren. Daarnaast doen we nog onderzoek naar varroaresistente rassen’, zegt de WUR-onderzoeker.

De in het verleden nog weleens gelegde relatie tussen de bijensterfte en de rol die de landbouw daarin zou spelen door het gebruik van neonicotinoïden wordt in het rapport niet bevestigd. Evenmin als de correlatie met de ‘monoculturisering’ van het landbouwlandschap, gekoppeld aan versnippering.

Monotoon landschap niet gunstig
Al heeft Cornelissen daar wel een kanttekening bij. ‘Over het algemeen is een monotoner landschap minder gunstig voor de honingbij. Honingbijen foerageren op grote gewassen en een variatie aan verschillende soorten, zowel cultuur- als natuurgewassen.’

In de negentiende eeuw was de bijenhouderij gekoppeld aan de boekweitteelt, legt Cornelissen uit. ‘Het zou mooi zijn als dat weer meer zou verschijnen. Net als koolzaad, lindebomen en esdoorns. Of prikkeldraad vervangen door meidoornhagen. Boeren zouden meer kunnen focussen op gewassen die bestuiving nodig hebben, waarbij ze wel gesteund moeten worden door de markt. Ook het maaibeleid kan beter. Daarover zouden ze kunnen nadenken.’

De bij gaat de landbouwsector wel degelijk aan het hart. Dat blijkt ook uit het feit dat steeds meer bedrijven, met name in de fruitteelt (top drie: appel, peer, aardbei), gebruikmaken van professionele bestuivingsdiensten. Die bedrijven, waarvan Inbuzz in Laren naar verluidt de grootste is, beschikken soms tot zo’n duizend bijenvolken.

Zestigduizend bijenvolken
Dat lijkt veel, maar valt in het niet bij bestuivingsdiensten in Amerika. Daar heeft een enkele leverancier alleen al zo’n zestigduizend bijenvolken, eenzelfde aantal als er in heel Nederland zijn. Kenmerkend detail: het is nog maar vijf jaar geleden dat er een beroepsvereniging voor Nederlandse imkers is opgericht. ‘Maar de stap is wel gemaakt en dat is een positieve trend’, oordeelt de WUR-onderzoeker.

In Nederland leveren ook hobbyende bijenhouders deze bestuivingsdiensten, maar op kleinere schaal, met tussen de één en tien bijenvolken. Al lijkt de toekomst volgens Cornelissen verzekerd. Want het gaat niet alleen ‘niet slecht’ met de honingbij, ook de imkercursussen zitten vol.

Wel stelt de onderzoeker dat aan de Nederlandse markt voor bestuiving een plafond zit. ‘Wereldwijd neemt de vraag naar bestuiving toe, terwijl de populatie bijenvolken niet zo snel toeneemt. In Nederland is de toenemende vraag beperkt in de landbouw, afgezien van bijvoorbeeld extra teelt van de blauwe bes.’

Consortium doet onderzoek naar wintersterfte
Het Surveillanceprogramma Honingbijen, uitgevoerd tussen 2014 en 2018 door een consortium van Naturalis, Wageningen Environmental Research en bijen@wur, onderzocht de wintersterfte onder honingbijen in Nederland. De aanleiding voor het onderzoek was de winter van 2009/2010, toen maar liefst 29 procent van de honingbijenvolken het voorjaar niet haalde. In de media doken mogelijke verbanden met het gebruik van neonicotinoïden in de landbouw op. Daarop nam het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het initiatief tot een onderzoek naar de oorzaken van wintersterfte. In het surveillanceprogramma testte Wageningen Food Safety Research de honing van bijen op de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen. Bijen@wur controleerde de bijen op ziektes en ondervroeg imkers naar hun wijze van verzorging. Het rapport werd deze zomer naar de Tweede Kamer gestuurd.

Bron: Nieuwe Oogst

Lid worden