Nieuwe bewoners in Nieuwe Dordtse Biesbosch door verhogen van waterstanden

Koninginnepage

Vorige week struinden er onderzoekers door de Nieuwe Dordtse Biesbosch. Ze registreerden zoveel mogelijk soorten; van visarend tot de geoorde fuut en van de ovale poelslak tot het moerasdikkopmos.

Het verhogen van de waterstanden in de Nieuwe Dordtse Biesbosch werpt zijn vruchten af. Het is en blijft verrassend hoe snel de natuur zich in zo’n nieuw, nat natuurgebied ontwikkelt.

Het contrast kan immers niet groter. Van reguliere landbouw, met strakke lijnen in het polderlandschap, naar een wetlandachtige situatie. Suikerbieten en graan maken plaats voor zwartkopmeeuw, zomertaling, tureluur en veldleeuwerik.

Op de keper beschouwd zijn dit ingrediënten die niet bij iedereen gelijk de aandacht zullen trekken, maar de aanblik van tientallen lepelaars en kleine zilverreigers kan toch niemand ontgaan.

Zuid-Europees
Het zijn Zuid-Europese taferelen in de Lage Landen. In de nieuw ontwikkelde rietkragen scharrelen bovendien geoorde futen en dodaarzen. Bij de Zeedijk, in de buurt van de Kooikil, klinkt zelfs de hoempende roep van een roerdomp.

Zo’n ‘hoemp’ klinkt als een zware bas en wordt meestal enkele malen herhaald. Het is een van de meest curieuze vogelgeluiden en draagt wel vier, tot vijf kilometer ver. Met dit markante geluid markeren de mannetjes hun territorium.

Minstens zo spannend zijn twee steltkluten; bijzonder elegante steltlopers op lange, vuurrode poten. De drassige wereld rondom de Van Elzelingenweg vormt voor deze opvallende pioniers blijkbaar een uitstekende stek.

Tijdens de 1000-soorten week werden er 2044 vogelwaarnemingen verricht en dat was goed voor 126 soorten.

Meer dan vogels
Maar de onderzoekers keken niet uitsluitend naar vogels. ,,Dat klopt”, zegt Tom Urbanus uit Dordrecht. ,,Ik was eigenlijk op zoek naar een stageplek, maar raakte zo betrokken bij de 1000-soorten week. Er werden meerdere excursies georganiseerd, waarbij gelet werd op diverse soortgroepen zoals mossen, libellen. Met lampen werden ’s nachts nachtvlinders naar een laken gelokt. Het viel mij trouwens op dat er voor de diverse onderzoeksactiviteiten veel jongeren kwamen opdagen.”

Bij de realisatie van de Noorderdiepzone staat vernatting centraal. De onderzoekers waren ook in de weer in en rondom het water. ,,Met schepnetten haalden we onder meer waterschorpioenen, staafwantsen, zeelten en honderden driedoornige stekelbaarsjes boven water, belangrijk voedsel voor lepelaars. In een sloot die er voor de gedaantewisseling van de Noorderdiepzone ongetwijfeld al was, visten we twee jonge snoeken boven water.”

De snoek behoort met de blankvoorn, baars, brasem en kolblei tot de vijf meest algemene vissoorten van het zoete water in Nederland. De snoek komt vooral voor in polderwateren, vaarten, sloten, singels en grachten; verder in kleine rivieren, grote plassen en kleine wateren zoals zandgaten.

De snoek heeft een enigszins afgeplatte vorm. De kleur varieert van groenbruin tot grijsbruin met goudgele stippen of vlekken die zich aaneenrijgen tot strepen. Vooral kleinere snoeken kunnen de kleur van de omgeving aannemen. Ze worden groenachtig tussen de vegetatie, waarin zij roerloos wachten op een prooi.

Het jachtsucces is afhankelijk van de mogelijkheid om onopgemerkt te blijven in de vegetatie. Als er geen waterplanten zijn, dan bieden een onregelmatige bodem en obstakels (zoals gezonken autowrakken) ook beschutting aan de snoek.

Bron: AD Rivierenland/Beeld: Jacques van der Neut

Lid worden