‘Cornelis de Vijfde’ houdt de wieken van De Oude Wetering in beweging

Noorlander

Traditionele beroepen, van molenaar tot beroepsvisser en van glasblazer tot mandenvlechter. In de regio zijn ze er nog volop. Wie zijn de beoefenaars? En is er anno 2019 nog wel een boterham mee te verdienen? Het AD gaat op onderzoek.

Nee, een adres hebben we niet, zegt Cees Noorlander (69) door de telefoon. ,,Bel me maar even als je op de Middenpolderweg bent, dan pik ik je op.’’ Een goed idee, want zonder zijn hulp is het steevast zoeken geblazen in het uitgestrekte weidegebied tussen Streefkerk en Nieuw-Lekkerland. Vanaf de afgesproken plek fietst hij voor de auto uit om de weg te wijzen. Aan het eind van het hobbelige landweggetje moet de auto aan de kant en gaat het verder te voet via een weiland, een maïsveld en een smalle plank over een sloot. Dan bereiken we wipmolen De Oude Wetering die sinds 1976 door Noorlander draaiende wordt gehouden.

Een deurtje geeft toegang tot een woonkamer, waar de lage zoldering ouderwets ossenbloedrood is geverfd. Elektriciteit en stromend water ontbreken, en het lijkt of de laatste inwoner hier een eeuw geleden is vertrokken. Alles achterlatend zoals het was, inclusief het blauwe serviesgoed in de kast en de handgeknoopte fuiken aan het plafond. Dit is het stekkie waar de molenaar twee tot drie dagen per week in zijn element is. Een paradijsje tussen Streefkerk en Nieuw-Lekkerland.

,,Er is altijd wat te doen, schilderwerk, onderhoud aan het gaande werk, de tuin. En als alles klaar is pak ik het bootje en ga ik vissen.’’ En nee, hij woont er dus niet. ,,De voorzieningen zijn niet meer van deze tijd, dus wonen mijn vrouw en ik in een comfortabele woning in Nieuw-Lekkerland. De molen is van de molenstichting en ik doe dit als vrijwilligerswerk. Een functie heeft hij niet meer, maar wieken moeten blijven draaien. Dat is beter voor het mechaniek. Minstens 60.000 omwentelingen per jaar is het voorschrift: er zit een teller op.’’

Het is geen toeval dat de geboren Brandwijker in het molenaarsvak belandde. Het zit diep in de genen. ,,De Noorlanders zijn sinds jaar en dag actief op molens. In een geschrift uit 1632 is al sprake van een Noorlander die molenaar was. Ooit zijn in dit gebied 28 Noorlanders geteld op 23 molens. In het parenteel van de familie staat dat 42 Noorlanders op Zuid-Hollandse molens zaten.’’ Er komt een dik album uit de kast met vergeelde foto’s van familieleden. ,,Kijk, dit zijn mijn grootouders’’, wijst hij. ,,Ze woonden lange tijd hier in de molen De Oude Wetering.’’

Opmerkelijk hoeveel foto’s er bestaan van het gebied en zijn bewoners uit een tijd dat fotografie nog geen gemeengoed was. ,,Dat komt omdat hier altijd al veel Rotterdammers kwamen vissen’’, zegt Noorlander. ,,Om zichzelf te vereeuwigen met hun vangsten, hadden ze camera’s bij zich en legden ze en passant het plattelandsleven vast.’’

Familie
Bij het rustgevende gekraak van de wieken rolt het ene verhaal over het andere. Zo vertelt hij over de bezoekjes die hij als kind met zijn ouders op de fiets bracht aan familie. ,,Ze woonden bijna allemaal op molens.’’ Als 21-jarige werd hij aangesteld als molenaar op de vijfde molen van de Overwaard in Kinderdijk. ,,Die was toen nog eigendom van de provincie. Ik heb dat vijftien jaar gedaan.’’

Opnieuw borrelt een anekdote op. ,,Er kwamen veel toeristen en ik weet nog dat een paar Japanners dachten dat je op kroos kan lopen. Dat leverde een onvergetelijk schouwspel op, want ze zakten natuurlijk in het water.’’ Trots is hij vooral op het feit dat hij de vijfde generatie Cornelis Noorlander is. ,,Zeg maar Cornelis de Vijfde.’’

Erg lucratief is het ambacht, dat vorig jaar door Unesco op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed is gezet, nooit geweest. ,,In de jaren 20 bedroeg het salaris 250 gulden per jaar, plus vrij wonen natuurlijk, en begin jaren 50 was het zo’n 700 gulden’’, weet Noorlander. ,,Er werd vroeger nog wat bijverdiend met het vangen van mollen. Ik herinner me hoe hier achter de kachel van opa en oma opgespannen velletjes stonden te drogen. Dat stonk door het hele vertrek, maar ze brachten twee gulden per stuk op, kennelijk de moeite waard.’’

Voor hemzelf was het professionele molenaarschap geen optie. Er was een betere boterham te verdienen bij het waterschap, waar hij zeven jaar geleden als opzichter met pensioen ging. Naast het ‘draaien’ maakt hij zich wekelijks een dag nuttig bij een nabijgelegen zorgboerderij. Ook is hij bestuurslid van de plaatselijke ijsclub.

De Noorlanders hebben twee dochters en zes kleinkinderen. ,,Er komt dus geen zesde generatie Cornelis Noorlander’’, stelt hij. ,,Maar misschien zijn de molenaarsgenen toch doorgegeven. Ik dacht daaraan toen ik mijn kleinzoon van 18 tijdens Molendag gedetailleerd tekst en uitleg hoorde geven aan bezoekers, en was verbaasd. Hoe weet je dat allemaal?, vroeg ik. Gewoon, van jou, was het antwoord.’’

Bron: AD Rivierenland/Beeld: Cor de Kock

Lid worden