skip to Main Content

Artikel AD: Deze vogels geven kleur aan de grauwe winterdagen

VAN NATURE | Een grauwe dag in najaar of winter, heeft u er soms ook moeite mee? Je zou de zon dan achter het loodgrijze wolkendek vandaan willen schreeuwen. Maar geen nood, er zijn gelukkig putters en pimpelmezen! Die geven in elk seizoen kleur aan een dag.

De pimpelmees is, net als de koolmees, een bosvogel die zich heeft aangepast aan de menselijke omgeving. Ook hij broedt graag in nestkasten en komt in de winter dicht bij huis, bungelend aan vetbollen en pindanetjes. Ze stellen niet veel eisen aan hun leefomgeving en zijn dan ook veel te vinden in tuinen en parken.

De pimpelmees heeft een kenmerkend blauw ‘petje’, gele borst, smalle, zwarte oogstreep, zwartblauwe kinvlek en blauwachtige vleugels. Mannetjes zijn helderder van kleur dan de vrouwtjes en juvenielen. In bosrijke gebieden met veel oude loofbomen komt de pimpelmees in de hoogste dichtheden voor, daar broeden zij in boomholtes. Ook in dorpen en steden komt de pimpelmees algemeen voor en broedt daar graag in nestkasten. De pimpelmees is veel te vinden in parken en tuinen, waar zij ook graag gebruik maken van bijvoedering.

Gevarieerd menu

De pimpelmees houdt er eigenlijk een heel gevarieerd menu op na. Zo zoekt de pimpelmees tijdens de broedtijd vooral insecten en hun larven (rupsen), spinnen en andere geleedpotigen. Aangezien er in de winter nauwelijks insecten beschikbaar zijn, schakelt deze fraai getekende mees over op het eten van zaden, die hij vergaart in berken, lariksen, haagbeuken en Spaanse aken.

In deze tijd van het jaar verschijnen zij trouwens ook regelmatig bij voedertafels. De pimpelmees is een standvogel en blijft dus normaal gesproken het hele jaar in ons land. Sommige dieren zwerven uit richting België en Frankrijk. In de nazomer vormen lokale broedvogels soms groepen die tot in de winter intact blijven.

Overwinteraars en doortrekkers

Tussen half september en half november arriveren overwinteraars en doortrekkers uit Scandinavië en andere landen rond de Oostzee in ons land. De pimpelmees is weliswaar een algemeen in ons land voorkomende broedvogel, maar is daarom zeker niet minder mooi.

Als het over kleur gaat, dan heeft de putter ook zeker geen reden tot klagen. Putters hebben een opvallend bont gekleurd verenkleed met een rood, wit en zwart getekende kop en zwarte vleugels met een karakteristieke, brede gele baan. Mannetjes en vrouwtjes zijn vrijwel identiek; het mannetje heeft alleen iets meer rood op de kop. Jonge exemplaren missen de opvallende koptekening.

Verzot op distels

De gele baan over de vleugels en de witte stuit hebben zij wel. Putters zijn op-en-top zaadeters en verzot op distels, vooral de gewone akkerdistel staat hoog op zijn verlanglijstje. Zo’n dertig procent van hun voedsel bestaat uit gewone distelzaden. Die komen vanaf eind juni beschikbaar en zijn er tot in de late herfst. In het voorjaar zijn de zaden van het voorbije seizoen wel zo’n beetje op en laat nieuwe oogst op zich wachten. Ze eten dan vliegjes en andere insecten, bladluizen en rupsen.

Ook de jongen in het nest worden daar tijdens hun eerste levensdagen mee gevoerd. Verder eten ze de malse en voedzame blaadjes van vogelmuur. Met hun kegelvormige snavels knabbelen zij ook graag aan de frisgroene blaadjes, knopjes en bloemdelen van fruitbomen. Putters broeden het liefst in jonge loofbomen, vaak in laanboompjes en in singels. Dat doen ze het liefst dicht bij elkaar, in halfkolonies.

De kleurige vogeltjes bezoeken niet of nauwelijks de dichtbebouwde binnenstad, daarvoor zijn ze toch ook nog teveel liefhebber van het open veld. Vogels vinden trouwens steeds minder geschikte voedselplekken omdat onze bebouwde kom steeds dichter wordt bebouwd. Vogelvriendelijk ingerichte tuinen kunnen dat verlies compenseren en bieden vogels een goed thuis, ook in de bebouwde kom. Ruim opgezette nieuwbouwwijken met jonge aanplant, weelderige bermen of van die zeldzaam geworden ruigteveldjes schuwen putters allerminst.

Nomadisch bestaan

Hetzelfde geldt natuurlijk voor tuinen en erven in het buitengebied. Krijgt u ze niet op bezoek, dan kunt u puttervreugde opzoeken tijdens een winterse wandeling. Langs ruig begroeide uiterwaarden bijvoorbeeld en let daarbij vooral dan op uitgebloeide pollen distels, bijvoet of zuring. Putters leiden in deze tijd van het jaar een nomadisch bestaan. Ze zwerven in groepjes en vliegdansen in sierlijke golven van de ene rijke voedselplek naar de andere. Soms in gezelschap van andere zaadetende vogels zoals kneuen, groenlingen of sijzen.

Putters houden van distels

Putters zijn compact gebouwde vinken en zijn veel in de buurt van pluizende distels te vinden, hetgeen ze een voor de hand liggende bijnaam opleverde: distelvink. Naast distels bezoeken zij ook wel grote kaardenbollen, melkdistels, paardenbloemen, grote klissen en cultuurgewassen zoals zonnebloemen.

De kleurige zangvogels foerageren tevens in berken en op de ‘proppen’ van zwarte elzen. In vergelijking met het laatste kwart van de vorige eeuw is het aantal broedparen flink toegenomen, hoogst waarschijnlijk veroorzaakt door aanplant van stedelijk groen en wegbeplantingen in open agrarisch gebied.

In de wintermaanden is de verspreiding binnen Nederland een stuk ruimer, doordat de populatie wordt aangevuld met vogels uit Scandinavië en Duitsland.

Bron: AD Rivierenland

Back To Top
Lid worden