skip to Main Content

Artikel AD: Een kijkje in de wereld van nachtvlinders, die doorgaans echte nachtbrakers zijn

VAN NATURE | Bij sommige mensen leeft nog steeds het beeld dat motten ofwel nachtvlinders voornamelijk bruin en klein zijn. Soms klopt dat, maar er zijn ook grote en fel gekleurde nachtvlinders.

Er bestaan wel tweeduizend soorten vlinders in Nederland. Toch kennen we er maar een paar. Dat komt omdat we vooral dagvlinders zien en herkennen. Vijftig van die tweeduizend soorten zijn dagvlinders, de rest is nachtvlinder. Wat is het verschil trouwens tussen dag- en nachtvlinders? Het lijkt zo makkelijk: dagvlinders vliegen overdag en nachtvlinders ‘s nachts. Zo simpel is het helaas niet.

Er zijn namelijk heel wat nachtvlinders die gewoon overdag actief zijn! Het verschil in uiterlijk biedt meer houvast. Een dagvlinder, zoals een dagpauwoog heeft de vleugels open gespreid of boven het lichaam omhoog geklapt. Nachtvlinders vouwen hun vleugels plat op hun lichaam als ze rusten. Een ander belangrijk verschil zit hem in de voelsprieten.

Dagvlinders hebben meestal een knopje op de sprieten, terwijl die ontbreekt bij nachtvlinders. De meeste nachtvlinders zijn echte nachtbrakers en hebben prachtige namen zoals blauw weeskind, avondrood, huismoeder en rietvink.

Voelsprieten

De plakker, een nachtvlinder die behoort tot de donsvlinders, heeft een opmerkelijke leefwijze. Het wijfje heeft goed ontwikkelde vleugels, maar maakt daar nauwelijks gebruik van. Om mannetjes te lokken produceert zij feromonen (lokstoffen). Mannetjes hebben weliswaar geen echte neus, maar wel een specifiek orgaan om de feromonen van vrouwtjes op te pikken: hun voelsprieten!

Bij heel wat nachtvlindersoorten zijn de antennes bij de mannetjes geveerd waardoor ze op pluimpjes lijken. Die antennes zijn eigenlijk supergevoelige sensoren waarmee mannetjes zelfs kunnen bepalen of ze naar een vrouwtje toevliegen of zich ervan verwijderen. Dit systeem functioneert buitengewoon goed. Dat mannetjes in korte tijd op honderden meters een wijfje kunnen vinden, is dan ook eerder regel dan uitzondering.

Kort geleden stond ik oog in oog met zo’n plakker. Sinds de uitbraak van corona wandel ik regelmatig door de polders op het Eiland van Dordrecht. Op een van de eiken langs de Provinciale weg in Dordrecht ontdek ik op een meter hoogte, een klein wit stipje.

Dichterbij gekomen blijkt het een plakker te zijn, een wijfje. Ze vliegt niet weg en dat is ook logisch; ze zet eitjes af in een schorsspleet. Aangezien ik geen camera bij mij heb, eerst maar even naar huis gelopen. Zoals verwacht, zit de nachtvlinder bij mijn terugkomst nog steeds op dezelfde plek.

De eitjes worden in pakketten op de schors afgezet, gekit met lijmstof en afgedekt met wolschubben uit haar achterlijf. Aan het op deze manier deponeren van haar eitjes, dankt deze nachtvlinder haar naam. Zo’n pakket met eitjes lijkt op een harige bobbel op een stam, die je tijdens een winterwandeling kunt tegenkomen.

De eitjes zullen op deze locatie overwinteren en uitkomen in het voorjaar, van april tot juni. De rupsen kruipen uit de eitjes, verpoppen zich in een spinsel tegen de schors, tussen de bladeren of in de strooisellaag. In augustus vliegen er dus heel veel van deze vlinders door de tuinen.

De mannetjes komen op licht af en vliegen veel, zeer wild en snel en met scherpe hoeken. De plakker komt overal in Nederland voor, maar wordt in de noordoostelijke provincies minder waargenomen. In de Verenigde Staten komt de plakker ook voor, maar ze zijn er daar niet blij mee…

Plakker in de VS: lust wordt een last

De plakker werd in Noord-Amerika geïntroduceerd door Étienne Léopold Trouvelot, een Franse schilder en wetenschapper. Als amateur-entomoloog onderzocht hij diverse kweken van niet-inheemse vlinders in een poging een alternatief te vinden voor de kieskeurige zijderups.

Uit Europa importeerde hij de eitjes van de plakker die hij in het bos achter zijn huis liet opgroeien tot larven. In 1868 ontsnapten echter enkele exemplaren uit zijn kwekerij. Hoewel Trouvelot de autoriteiten waarschuwde voor deze ontsnapping, werd er lauw gereageerd op diens waarschuwingen.

In de daarop volgende jaren ontwikkelde de plakker zich tot een ernstig plaaginsect en wordt door de staat Massachusetts zwaar bestreden, waarbij men in het verleden ook wel DDT gebruikte.

Desondanks vestigde de plakker zich er definitief en heeft vandaag de dag zijn leefgebied naar het centrale en westelijke deel van de VS uitgebreid. De plakker wordt beschouwd als een invasieve soort en de bestrijding ervan kost de Amerikanen nog steeds miljoenen dollars. Ook in Canada is de plakker geen onbekende. Wat invasieve exoten betreft, is er voor ons eigenlijk geen nieuws onder de zon.

In Europa zijn we immers ook behoorlijk aan het sjouwen geweest met allerlei soorten. Denk maar aan de muskusrat, Amerikaanse vogelkers, de reuzenberenklauw en niet te vergeten de inmiddels beruchte Japanse duizendknoop.

Een joekel van een vlinder

Binnen de nachtvlinders vormen de indrukwekkende pijlstaartvlinders een bijzonder fascinerende familie. De kleuren van deze snelle vliegers spreken tot de verbeelding, zeker die van groot avondrood. Aangezien deze prachtig gekleurde soort pas tegen het vallen van de avond zijn schuilplaats verlaat, zien we groot avondrood helaas maar weinig.

Op de ligusterpijlstaart hebben we meer kans. Met een vleugelspanwijdte van maar liefst negen tot twaalf centimeter is de ligusterpijlstaart een joekel van een vlinder en zien we hem dus niet zo gauw over het hoofd.

De ligusterpijlstaart vliegt van half mei tot begin september in één generatie. Verse vlinders zijn soms te vinden op verticale oppervlakken, zoals boomstammen, hekken en muren, maar verder krijg je deze grote nachtvlinder overdag niet veel te zien. Het is een vrij onopvallend gekleurde bruinzwarte vlinder. Ze hebben een lange roltong en bezoeken bloemen zoals kamperfoelie, teunisbloem en tabak.

De eitjes worden afgezet op de liguster, die veel mensen als heg rondom hun tuin hebben staan. De familie van de pijlstaarten omvat wereldwijd ruim 1460 soorten, waarvan het grootste deel in de tropen leeft. In Nederland komen 18 soorten voor, waarvan de meeste als standvlinder en een enkele als trekvlinder.

Van de trekvlinders die zich hier voortplanten zijn de meeste niet in staat om hier te overwinteren. Waarnemingen in het vroege voorjaar duiden er op dat bepaalde soorten soms wel in staat zijn om zachte winters te overleven.

Bron: AD Rivierenland

 

Back To Top
Lid worden